Archeologisch onderzoeksproces

Het archeologisch onderzoek bestaat uit 3 fases:

  1. Verkennend onderzoek,
  2. Karterend onderzoek
  3. Waarderend onderzoek.

Na afronding van elke fase wordt bepaald of een volgende fase noodzakelijk is. Het archeologisch onderzoek moet voldoen aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 3.2, protocol 4003 inventariserend veldonderzoek) en een goedgekeurd PvE. Er is een standaard PvE beschikbaar die initiatiefnemers zelf op maat moeten laten schrijven voor het eigen initiatief. Dit PvE heeft een akkoord nodig van de gemeente Almere/ de stadsarcheoloog. Op basis hiervan kan een offerte worden aangevraagd bij een archeologisch bureau of meerdere bureaus.

Het standaard PvE is erop gericht om de archeologie op kavelniveau in beeld te brengen. Initiatiefnemers zijn vrij om er voor te kiezen om alleen de te verstoren delen te onderzoeken (bebouwing, wegen, waterpartijen etc.). Dit vergt alleen een andere onderzoekstrategie waarvoor een maatwerk PvE moet worden opgesteld. In het geval dat alleen de te verstoren delen worden onderzocht, dan blijven de niet-onderzochte delen onderzoeksplichtig.

Fase 1: verkennende fase

De verkennende fase is een landschappelijk georiënteerd onderzoek (er wordt nog niet gezocht naar vindplaatsen). Het heeft als doel om de diepteligging en mate van intactheid te bepalen van de archeologische relevante lagen. Als sprake is van intacte bodemprofielen, dan moet fase 2 onderzoek worden uitgevoerd. Blijken de archeologisch relevante lagen bijvoorbeeld verstoord door erosie, dan is fase 2 onderzoek niet aan de orde. Fase 1 kan zowel machinaal als handmatig worden uitgevoerd. De boringen worden gezet om de 40 meter.

Fase 2: karterende fase

Tijdens de karterende fase wordt een kavel systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. Deze fase kan alleen machinaal worden uitgevoerd. Er worden boringen gezet om de 20 meter. Als tijdens deze fase geen harde indicatoren worden aangetroffen, dan is dat einde onderzoek. Er hoeft dan geen rekening te worden gehouden met archeologische beperkingen. Archeologen kunnen in het veld overigens niet meteen zeggen of er indicatoren zijn aangetroffen. De bodemmonsters moeten eerst in het laboratorium worden onderzocht. Als er wel wat wordt gevonden, dan is een derde fase onderzoek noodzakelijk. Meestal worden de verkennende en karterende boringen uitgevoerd binnen dezelfde opdracht.
Bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen van in principe meer dan 25 hectare aaneengesloten gebied (van 500 x 500 meter) is het mogelijk om op basis van een statistisch beredeneerde steekproef te werken waarbij 45% van het gebied wordt onderzocht op behoudenswaardige vindplaatsen.

Fase 3: waarderende fase

Tijdens de waarderende fase worden machinale boringen gezet rond de boorlocatie(s) met harde archeologische indicatoren uit fase 2. Het doel is om de behoudenswaardigheid van een vindplaats te bepalen (aard, omvang, gaafheid en conservering). De boringen worden om de 10 meter gezet. Vindplaatsen houden zich niet aan kavelgrenzen, het kan voorkomen dat een vindplaats overlapt met (delen van) meerdere kavels. Soms kan het handig zijn om in een grid van 5 meter te boren, omdat daarmee de vindplaats zo strak mogelijk kan worden begrenst (tegen weinig meerkosten). Daarmee wordt zoveel mogelijk flexibiliteit geboden voor de inrichting van het kavel.
Op locaties met oeverwallen of rivierduinen die dicht onder het huidige maaiveld liggen kan in bepaalde gevallen gravend onderzoek noodzakelijk zijn in de vorm van proefsleuven (oa. waarde-4 op de archeologische beleidskaart).

Behoudenswaardige vindplaats

De uiteindelijke begrenzing van een behoudenswaardige vindplaats wordt bepaald door een kernzone en een buffer. In de kernzone geldt echt een bouwverbod. Hier mag niet worden gebouwd. Provinciale wetgeving bepaalt daarnaast dat een buffer van 10 meter rondom de kernzone moet worden aangehouden. Hierbinnen zijn wel mogelijkheden voor ontwikkeling, onder de strikte voorwaarde dat die niet schadelijk zijn voor de archeologische waarden binnen de kernzone.

Er geldt altijd een vergunningsplicht voor activiteiten in zowel de kern als de bufferzone. De reden daarvoor is dat een behoudenswaardige vindplaats behouden blijft en niet verstoord wordt (directe en indirecte verstoring). Maar er zijn wel allerlei functies mogelijk, zoals stadslandbouw, een ondiepe greppel of wadi, een helofytenfilter etc. Voor zover sprake is van wijziging van de inrichting van het terrein (graven, aanleggen etc.) zal rekening moeten worden gehouden met een archeologische begeleiding door een deskundig archeoloog. Bij een begeleiding gaat het bijvoorbeeld om het administratief vastleggen van alle werkzaamheden die op de vindplaats worden uitgevoerd, zodat ook in de toekomst voor iedereen duidelijk is welke wijzigingen aan het terrein zijn aangebracht.

Tot slot

Het onderzoek is na de 3e fase afgerond. Er is geen verplichting tot het doen van vervolgonderzoek of het doen van opgravingen. Het markeren van de archeologische vindplaats is natuurlijk leuk en interessant, maar een vrije keuze. Er geldt een wettelijke behoud- en zorgplicht. Dat kan prima door een behoudenswaardige vindplaats in de bodem te beschermen en de bebouwing eromheen te plannen.

Pas als het archeologisch onderzoek in zijn geheel is afgerond, kan een definitieve rapportage worden opgeleverd. Deze rapportage is nodig voor de ruimtelijke onderbouwing bij de omgevingsvergunning. Als op basis van het archeologisch onderzoek er nog verschuiving van functies nodig blijkt op de kavel ten opzichte van het ontwikkelplan dan is dat uiteraard prima. Zolang het bestemmingsplan Oosterwold nog niet in werking is getreden zal conform de archeologieverordening ook een archeologievergunning moeten worden aangevraagd.